31 oktober 2016: de tussenmuur weg

31 oktober 2016: de tussenmuur weg (gedeelte uit het Informatieboekje 2010 NGK)

ds. J. Mudde (NGK)

De samenwerking tussen de GKv en de NGK zette zich in het jaar 2009 dus onverminderd voort. Daarbij gaat het zowel om lokale als landelijke samenwerking. En wie De Reformatie – dat net als Opbouw inmiddels eens in de twee weken verschijnt – leest, ontdekt keer op keer dat er in de GKv een geestelijk klimaat heerst, dat heel sterk op het onze lijkt. Datgene waar een Henk de Jong voor stond, en waarvan hij zei dat anderen daarmee eens hun winst zouden doen, is nu in hoge mate gerealiseerd in de GKv. Als het gaat om de omgang met de Heilige Schrift, de omgang met de confessie, de organisatie van het kerkelijke leven en de liturgie, moet gezegd dat er van wezenlijke verschillen geen sprake meer is. Zeker, er zijn nog verschillen, en sommige verschillen zijn zonder meer de moeite van een indringend gesprek waard, maar het zijn geen verschillen die kerkscheidend zijn. Het is om deze reden dat ik een suggestie wil doen. Laten we een datum prikken: 31 oktober 2016. Op die dag verklaren de GKv en de NGK dat zij zich in een staat van vereniging bevinden.

Op 31 oktober 2016 – over ruim zes jaar – is het precies 50 jaar geleden dat de Open Brief gepubliceerd werd. Die Open Brief was de lont in het kruitvat dat de Gereformeerde kerken in de jaren ’60 van de vorige eeuw was. Ik denk dat iedereen binnen zowel de GKv als de NGK ervan overtuigd is dat in de huidige omstandigheden nooit een Open Brief verschijnen zou. Hoe je dat ook taxeert – de één binnen de GKv is er gelukkig, de ander hoogst ongelukkig mee –, alle oorzaken voor het verschijnen van die Open Brief in 1966 zijn weggenomen. Inmiddels zijn we ons er allemaal van bewust dat beide ‘huizen van de Vrijmaking’ op dezelfde grondslag bouwen en daarbij een kerkelijke stijl hanteren die grote overeenkomsten vertoont. Mijn suggestie nu is, dat beide kerkverbanden zich – zo de HERE niet is weergekeerd – ernaar toewerken dat zij op 31 oktober 2016 kunnen verklaren zich op een nader te bepalen datum te gaan verenigen. Momenteel zijn er nog ‘twee huizen van de Vrijmaking’, maar inmiddels vormen die welhaast een twee-onder-één-kap-woning. Laten we de tussenmuur die ons nog scheidt wegbreken en vervolgens één huishouden stichten.

Verenigen: waarom eigenlijk?
Maar waarom eigenlijk zouden de GKv en de NGK één gezamenlijk kerkverband gaan vormen? Is er niet meer voor te zeggen om de tussenmuur, die beide huishoudens van elkaar scheidt, te laten staan? Wegbreken doet hoe dan ook een hoop stof opwaaien en waar is dat goed voor? Verder, uit de ontwikkelingen die de kerkwijk Nederland de afgelopen decennia heeft doorgemaakt, blijkt dat kerkverbanden heel betrekkelijk geworden zijn. Kerkelijke instituten spelen steeds meer een bijrol en lokale kerken en lokale
samenwerking steeds meer een hoofdrol. Gelijktijdig ontlenen christenen hun identiteit steeds minder aan het kerkverband waarvan ze deel uit maken en beleven zij de geestelijke eenheid met mede-christenen ook buiten de plaatselijke gemeente om. Is de inzet voor een eventuele vereniging van de GKv en de NGK geen anachronisme, loopt die niet achter op de werkelijkheid? Dergelijke vragen en tegenwerpingen komen ook bij mij boven, maar m.i. zijn ze niet doorslaggevend.

Voorop zou ik willen stellen: eind jaren ’70 van de vorige eeuw is een kerkverband in tweeën gescheurd. Daardoor werden de naam en eer van Christus schade toegebracht en werden diepe wonden in mensenlevens geslagen. Door die kerkscheuring teniet te doen, door de tussenmuur die ons nog scheidt af te breken, kan nooit geheel worden hersteld wat toen is stukgemaakt, maar het draagt er wel degelijk aan bij. Het verenigen van onze beide kerkverbanden is vooral een blijk van liefde en genegenheid jegens Christus, die zijn lichaam en bloed gaf om eens een veel hogere en dikkere tussenmuur af te breken. Dan denk ik ook dat een vereniging van beide kerkverbanden een werkelijk bemoediging is voor onze mede-christenen in Nederland. Dat merkten we hier, in mijn thuisplaats Haarlem, waar twee jaar terug twee gemeenten die in het verleden met grote moeite uiteen waren gegaan, elkaar na al die jaren weer in liefde vonden. In het maandelijkse voorgangersoverleg was sprake van een grote vreugde. Nu, zo was het in de NGK ook, toen er tussen de beide Zwolse gemeentes verzoening tot stand kwam: er was vreugde bij de christenen in Zwolle en vreugde bij de NGK als geheel. Hoeveel groter zal de vreugde en bemoediging zijn als twee kerkverbanden kunnen samengaan! Naar mijn overtuiging is het dus werkelijk van betekenis voor de naam van onze Here en voor de kerken in Nederland wanneer de GKv en NGK zich met elkaar verzoenen en verenigen. Maar uit Nederlands gereformeerd oogpunt zijn er ook andere goede argumenten voor te geven om ons met de GKv te verenigen. Ik denk aan de vele kleine gemeenten van ons kerkverband die eerder in dit jaaroverzicht ter sprake kwamen. Ze zullen er binnen de GKv ook zijn. Niet zelden spelen gebrek een menskracht en financiële middelen deze gemeenten parten. Het is niet mogelijk een predikant te beroepen, of het onderhoud van een predikant drukt heel zwaar op de begroting. Jongeren vinden geen aansluiting bij gelovige leeftijdsgenoten. Ik sluit niet uit dat deze gemeenten hun winst kunnen doen met een vereniging van de GKv
en de NGK.

Dan zitten er uit financieel oogpunt positieve kanten aan een vereniging van de GKv en de NGK. Nu worden twee organisaties, twee opleidingen, allerlei deputaten of commissies die hetzelfde doen, in stand gehouden. Door een vereniging komen aanzienlijke financiële middelen vrij die op weer een andere manier voor het Koninkrijk van God ingezet kunnen worden. Voor een vereniging pleit ook dit: ons kerkverband is klein, erg klein. Dat geeft een gevoel van vertrouwdheid en verbondenheid, maar soms wreekt het zich. Zo heeft br. Bram Wattèl, voorzitter van de Vertrouwens- en Advies Commissie (VAC), op basis van zijn ervaring herhaaldelijk als zorg uitgesproken, dat losgemaakte predikanten in onze kerken vrijwel onmogelijk weer binnen het kerkverband aan de slag komen. Dat is mede te wijten aan
de geringe omvang van ons kerkverband: er zijn te weinig aanspeelpunten en afspeelmogelijkheden.
En, om nog één ding te noemen: lees ik De Reformatie, dan ben ik – schrik niet – werkelijk onder de indruk van de geestelijke leiding die daarvan uitgaat. Nee, die leiding wordt niet gegeven op de wijze die De Reformatie ruim 50 jaar geleden voorstond en die geleid heeft tot de totstandkoming van Opbouw. Er is in de vele artikelen die gaan over geloof en kerk in deze tijd sprake van een hoog geestelijk gehalte dat gepaard gaat aan openheid en moed. Met alle respect voor de opinievormers in ons eigen kerkverband, daar kunnen we als NGK een puntje aan zuigen.

Wat nut u het kerkverband?
Dan dat heel andere punt: wat nut u nog het kerkverband? Wel, al spelen kerkverbanden geen hoofdrol meer, ze spelen nog wel degelijk een rol. Die rol is inderdaad steeds minder sturend op detailpunten. (Tussen haakjes, ‘zelfs’ de NGK hebben zich daaraan in het verleden wel eens bezondigd. Denk maar aan die prachtige ‘selectie uit het Liedboek’, die we na jarenlange studie hebben vastgesteld en die nog steeds trouw afgedrukt staat in de bijlagen van het AKS, maar waar werkelijk helemaal niemand zich nog aan houdt...) Die rol bestaat hierin dat de bovenlokale gemeenschap van christenen erop toeziet dat de plaatselijke gemeenten blijven functioneren in een
kader dat door Gods Woord geregeerd wordt. Die rol van het kerkverband, die erop neerkomt dat wordt toegezien op leer en leven, is nuttig en blijft nodig. Daarnaast vervult het kerkverband een in meer dan één opzicht nog steeds zeer noodzakelijke, faciliterende rol. Zo stelt het kerkverband de plaatselijke gemeenten in staat om een betrouwbare en bekwame voorganger te beroepen, die in principe in staat is om zijn taak uit te oefenen. Dergelijke voorgangers dienen opgeleid, getoetst en bevestigd te worden. En nadat de bevestiging heeft plaatsgevonden, dient er sprake te zijn van begeleiding en verdere vorming. Een lokale gemeente kan de zorg hiervoor onmogelijk zelf dragen en heeft in die zin het kerkverband nodig. Deze rol van het kerkverband lijkt zelfs steeds belangrijker te worden. En wanneer zich binnen de lokale gemeente spanningen voordoen, in het bijzonder wanneer daarbij de eigen predikant betrokken is, is het dringend gewenst dat vanuit de bovenlokale gemeenschap hulp geboden wordt om de lokale gemeenten in de moeiten bij te staan. Alleen al het bestaan en functioneren van een VAC in onze kerken onderstreept dit. Ook verder is het kerkverband nog steeds nodig om kwetsbare lokale gemeenten staande te houden of tot ontplooiing te brengen met behulp van menskracht en/of financiële middelen.

Natuurlijk kunnen de geestelijke eenheid die beleefd wordt buiten het instituut kerk om en de lokale samenwerking met medechristenen buitengewoon waardevol en in hun soort soms van grotere betekenis zijn dan wat binnen het eigen kerkverband beleefd wordt. Maar op de genoemde punten heeft het kerkverband iets geheel eigens dat niet op christelijke organisaties of de lokale gemeenschap overgedragen kan worden. Kerkverbanden vervullen dus wel degelijk een rol en blijven die voorlopig vervullen. En het is hoogst lichtzinnig om te denken dat er niet in het kerkverband geïnvesteerd hoeft te worden, omdat de rol daarvan toch is uitgespeeld. Het is ook werkelijk van belang dat die rol goed vervuld, ja geoptimaliseerd wordt. Juist in dit opzicht kan een vereniging met de GKv een heilzame rol voor de NGK hebben, omdat de GKv heel sterk zijn, juist in die faciliterende rol.

Kortom, er zijn vele argumenten van diverse aard vóór een vereniging van onze kerken. Moge de weg daarheen binnen afzienbare tijd – wat mij betreft op 31 oktober 2016 – gemarkeerd worden. En moge dit tot zegen van beide kerken en de kerken in Nederland zijn.