Menu

Dovenpredikant geen benoeming voor het leven

Het onderwerp pastorale zorg voor doven en slechthorenden is al eerder op de synodevergadering geweest. Vandaag kwam het onderdeel aan de orde waarin er een aantal regelingen worden vastgesteld voor wat er verwacht kan worden van een predikant of kerkelijke werker, de deputaten en de kerkenraden als het gaat om de pastorale zorg voor deze specifieke doelgroep. Ook zijn er bepalingen opgenomen omtrent de rechtspositie van de predikant en kerkelijk werker. Wat opvalt is dat de kerkelijk werker preekbevoegdheid mag aanvragen om voor te gaan in diensten voor doven en slechthorenden op verschillende plaatsen. Normaal gesproken kan een kerkelijk werker alleen een preekbevoegdheid ontvangen voor de gemeente waaraan hij verbonden is.

“De preekbevoegdheid wordt verleend overeenkomstig de generale regeling voor de preekbevoegdheid, met dien verstande dat de preekbevoegdheid alleen geldt voor diensten die zich speciaal richten op doven en slechthorenden, maar zonder beperking tot één gemeente.”

De regelingen rondom de dovenpredikant verschillen met die van een gewone predikant in de zin dat het niet gaat om een benoeming voor het leven. De dovenpredikant krijgt in de regel een benoeming voor een periode van zes jaar. Na afloop van deze periode is er gelegenheid voor een evaluatie en kan er op basis daarvan besloten worden de overeenkomst te beëindigen. Het is dan mogelijk dat de predikant op zoek gaat naar een andere betrekking.

De dovenpredikant wordt benoemd door onze kerken en beschikbaar gesteld aan het Interkerkelijk Dovenpastoraat (IDP). Hij concentreert zich op de regio die hem door het bestuur van het IDP als werkveld is toegewezen. Het kan dan zijn dat hij in verschillende gezindten voorgaat; GKv, CGK, NGK, PKN, etc.

Met de nieuwe regeling is het niet meer nodig dat een kerk vanuit ons kerkverband een predikant levert die beschikbaar moet zijn voor alle GKv-gemeenten in het land.