Menu

B6 de ambten
B6.1 De kerken kennen de ambten van predikant, ouderling en diaken.
B6.2 De gemeente ontvangt haar ambtsdragers van Christus.
B6.3 Voor het vervullen van de ambten is een wettige roeping nodig.
B6.4 De ambtsdragers werken, ieder vanuit eigen taak, samen aan de opbouw van de gemeente.
B6.5 Ambt m/v: gereserveerd.

B7 binding aan Bijbel en belijdenis
B7 De ambtsdragers zijn gebonden aan de leer van de Bijbel, zoals samengevat in de belijdenisgeschriften. Zij bekrachtigen dit bij de aanvaarding van hun ambt door ondertekening van het bindingsformulier.

B8 regeling van predikantszaken
B8 Op de ambtsdienst van de predikanten is behalve de kerkorde de generale regeling voor predikantszaken van toepassing.
Generale regeling voor predikantszaken

B9 taak van de predikanten
B9.1 De predikanten hebben als primaire taak de verkondiging van het evangelie voor kerk en wereld. Ook bedienen zij de sacramenten en gaan zij voor in de dienst van de gebeden.
B9.2 De predikant rust de gemeente in prediking en onderricht toe tot een leven in geloof. Hij bestrijdt dwalingen en weerlegt valse leer.
B9.3 De predikant geeft met de ouderlingen leiding en herderlijke zorg aan de gemeente. Samen oefenen zij over de gemeente de kerkelijke tucht.

B10 predikanten met een bijzondere taak
B10.1 De kerken kunnen aan een predikant een bijzondere opdracht verlenen, zoals voor de theologische opleiding, bijzondere vormen van pastoraat of missionaire arbeid.
B10.2 De kerken voorzien waar mogelijk in predikanten die een geestelijke verzorgingstaak vervullen bij niet-kerkelijke instellingen, zoals ten behoeve van de gezondheidszorg, justitie of defensie.
Regelingen deputaten pastorale zorg aan doven en slechthorenden
Regelingen krijgsmachtpredikant

B11 toegang tot het ambt van predikant
B11.1 Wie als kandidaat toegang tot het ambt van predikant vraagt, kan beroepen worden na een beroepbaarstellend onderzoek door de aangewezen classis.
B11.2 Een kandidaat-predikant die een beroep heeft aangenomen, verkrijgt toelating tot het predikantsambt na een toelatend onderzoek door de classis waar hij zal gaan dienen.
B11.3 Over de toelating van een predikant uit een andere kerk van gereformeerde belijdenis in binnen- of buitenland of uit een kerk waarmee geen kerkelijke gemeenschap bestaat, beslist de classis.

B12 roeping van de predikant
B12.1 De roeping van een predikant bestaat uit de beroeping, de instemming van de gemeente, de goedkeuring van de classis en de bevestiging.
B12.2 De kerkenraad voorziet in een regeling voor het beroepingswerk.
B12.3 De beroeping vindt plaats door de kerkenraad, gehoord de diakenen en met medewerking van de gemeente.
B12.4 Het beroep wordt door de kerkenraad uitgebracht via de beroepsbrief. De predikant aanvaardt het beroep door de aannemingsbrief.
B12.5 De instemming van de gemeente wordt verkregen als er vanuit de gemeente geen gegrond bezwaar tegen leer of leven van de predikant wordt ingebracht.
B12.6 De classis verleent haar goedkeuring als zij zich heeft overtuigd dat is voldaan aan de vereisten van de kerkorde en de generale regelingen.
B12.7 De bevestiging vindt plaats in een kerkdienst met gebruikmaking van het vastgestelde formulier.
De bevestiging van hem die voor het eerst predikant wordt, gebeurt onder handoplegging.
Model voor een plaatselijke regeling voor de roeping van een predikant – versie jan-2016 (pfd)
Model voor een plaatselijke regeling voor de roeping van een predikant – versie jan-2016 (doc)
Model voor een plaatselijke regeling voor de roeping van een predikant in een samenwerkingsgemeente (pdf)
Model voor een plaatselijke regeling voor de roeping van een predikant in een samenwerkingsgemeente (doc)

B13 opleiding voor predikanten
B13.1 De kerken onderhouden voor de opleiding van hun predikanten een theologische universiteit. De generale synode stelt voor de universiteit een statuut vast.
B13.2 De docenten aan de theologische universiteit zijn gebonden aan de leer van de Bijbel, zoals samengevat in de belijdenisgeschriften. Zij bekrachtigen dit door ondertekening van het bindingsformulier.
B13.3 Voor het predikantschap in de kerken is een voltooide opleiding tot predikant aan de theologische universiteit vereist. De generale regeling predikantszaken voorziet in bijzondere gevallen.
B13.4 De kerken spannen zich er voor in dat er voldoende studenten in de theologie zijn. De kerken bieden hun, zo nodig, financiële steun.
Statuut Theologische Universiteit
Statuut Bureau studiefinanciering
Generale regelingen voor financiële steun aan studenten

B14 levenstaak predikant
B14.1 Het predikantschap is in beginsel een ambt voor het leven, in dienst van de Heer.
B14.2 De kerken bevorderen dat de predikanten zich met volle toewijding kunnen geven aan hun levenstaak.
B14.3 Voor de uitoefening van het ambt in deeltijd of voor het onderbreken van de dienst voor langere tijd is de goedkeuring van de classis nodig.

B15 rechtspositie predikant
B15.1 Een predikant is altijd verbonden aan een plaatselijke kerk of aan twee of meer kerken die daarvoor een samenwerking zijn aangegaan.
B15.2 De verbintenis van de predikant met een kerk berust op overeenstemming krachtens de beroepsbrief van de kerkenraad en de aannemingsbrief van de predikant.
B15.3 De rechtspositie van de predikant heeft een eigen kerkelijk karakter. De rechtsverhouding tussen kerk en predikant wordt beheerst door het kerkelijk recht en niet door het statelijk recht.
B15.4 Ook in geval van een bijzondere taak is de predikant verbonden aan een plaatselijke kerk. De regeling van zijn rechtspositie vereist de goedkeuring van de classis en, indien van toepassing, de generale synode.

B16 levensonderhoud
B16.1 De kerkenraad is namens de gemeente verantwoordelijk voor het levensonderhoud van de predikant.
B16.2 De kerkelijke zorgplicht strekt zich mede uit tot het gezin van de predikant, ook na zijn overlijden.
B16.3 De kerken hanteren een gezamenlijk kader voor de invulling van hun zorgplicht, in overeenstemming met maatschappelijk aanvaarde normen.

B17 arbeidsongeschiktheid
B17.1 Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid van de predikant als gevolg van ziekte of ongeval worden de desbetreffende voorschriften in acht genomen.
B17.2 Bij blijvende verhindering van de ambtsdienst als gevolg van ziekte of ongeval beslist de kerkenraad over het verlenen van gezondheidsemeritaat of ontheffing van het ambt. Dit besluit behoeft de goedkeuring van de classis.

B18 op non-actief stelling predikant
B18 Bij dringende noodzaak kan de kerkenraad bij wijze van tijdelijke ordemaatregel overgaan tot gehele of gedeeltelijke op non-actief stelling van de predikant. Dit besluit behoeft de toestemming van de kerkenraad van de naburige kerk.

B19 losmaking predikant
B19 Indien sprake is van een situatie waarin de predikant de gemeente blijvend niet meer met vrucht kan dienen, besluit de kerkenraad de predikant los te maken van de gemeente. Dit besluit behoeft de goedkeuring van de classis.

B20 ontheffing predikant
B20.1 Een predikant wordt ontheven van zijn ambt wanneer binnen twee jaar na een losmaking geen verbintenis met een andere kerk tot stand komt.
B20.2 Een predikant wordt ontheven van zijn ambt wanneer hij als gevolg van ziekte of ongeval blijvend verhinderd is het predikantschap te vervullen, maar wel andere passende arbeid kan verrichten.
B20.3 In andere gevallen kan slechts wegens gewichtige redenen ontheffing plaats vinden.
B20.4 De kerkenraad beslist over een ontheffing. Dit besluit behoeft de goedkeuring van de classis.

B21 schorsing en afzetting predikant
B21.1 Een predikant die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaat, zijn ambt verwaarloost of misbruikt, in strijd handelt met het bindingsformulier dan wel het ambtelijk vermaan hardnekkig verwerpt, wordt door de kerkenraad geschorst.
B21.2 Het besluit tot schorsing behoeft de toestemming van de kerkenraad van de naburige kerk. B21.3 Een schorsing geldt voor ten hoogste een periode van vier maanden.
B21.4 De kerkenraad beslist of na de schorsing afzetting van de predikant moet volgen. Dit besluit behoeft de goedkeuring van de classis.

B22 emeritaat
B22.1 De kerkenraad verleent een predikant emeritaat bij het bereiken van de daarvoor in de generale regeling predikantszaken gestelde leeftijd.
B22.2 In onderlinge overeenstemming tussen kerkenraad en predikant kan het emeritaat later ingaan.
Het besluit van de kerkenraad behoeft de instemming van de gemeente.
B22.3 Bij emeritering blijft de kerkenraad van de laatst gediende kerk verantwoordelijk inzake het ambt en het levensonderhoud van de predikant.
B22.4 Een emeritus-predikant behoudt de bevoegdheid om op verzoek van een kerkenraad het Woord en de sacramenten te bedienen of andere diensten te verrichten.
B22.5 Een besluit van de kerkenraad tot emeritering behoeft de goedkeuring van de classis.

B23 taak van de ouderlingen
B23.1 De ouderlingen geven met de predikant leiding en herderlijke zorg aan de gemeente. Samen oefenen zij over de gemeente de kerkelijke tucht.
B23.2 Als opzieners waken zij over het geestelijk leven van de gemeenteleden en bezoeken hen zo vaak als nodig is, tenminste eenmaal per jaar.
B23.3 De ouderlingen en de predikant zien er samen op toe dat elke ambtsdrager zijn dienst trouw vervult.
B23.4 Op verzoek van de kerkenraad kunnen gemeenteleden de ouderlingen assisteren in de pastorale zorg.
B23.5 De kerkenraad kan onderscheid aanbrengen bij de verdeling van taken onder de ouderlingen.

B24 taak van de diakenen
B24.1 De diakenen gaan de gemeente voor in de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in kerk en wereld. Zij stimuleren de onderlinge zorg en hulp alsook de christelijke inzet en vrijgevigheid voor anderen die hulp behoeven.
B24.2 De diakenen onderkennen in de gemeente moeiten in sociaal en materieel opzicht en bieden de gemeenteleden ondersteuning met woord en daad. Zij bezoeken daartoe de gemeenteleden. Zij verzamelen de liefdegaven, beheren die en delen die naar behoefte uit.

B25 roeping van ouderlingen en diakenen
B25.1 De roeping van ouderlingen en diakenen bestaat uit de verkiezing, de benoeming, de instemming van de gemeente en de bevestiging. De plaatselijke regeling wordt daarbij in acht genomen.
B25.2 Met het oog op de verkiezing wordt de gemeente in de gelegenheid gesteld om de kerkenraad vooraf te attenderen op hen die geschikt worden geacht voor het ambt van ouderling of diaken.
B25.3 De kerkenraad toetst, gehoord de diakenen, de geschiktheid voor de ambten en let op redenen van verhindering.
B25.4 De kerkenraad stelt ter verkiezing zo mogelijk een dubbel aantal kandidaten.
B25.5 Na de verkiezing door de belijdende leden van de gemeente vindt de benoeming plaats door de kerkenraad. Eventueel kan benoeming zonder verkiezing plaatsvinden.
B25.6 Ontheffing van een benoeming kan slechts worden gevraagd en verleend wegens gegronde redenen.
B25.7 De instemming van de gemeente wordt verkregen als er vanuit de gemeente geen gegrond bezwaar tegen hun leer of leven wordt ingebracht.
B25.8 De bevestiging vindt plaats in een kerkdienst met gebruikmaking van het vastgestelde formulier.
Model voor een plaatselijke regeling voor de roeping van ouderlingen en diakenen – versie jan-2016 (pdf)
Model voor een plaatselijke regeling voor de roeping van ouderlingen en diakenen – versie jan-2016 (doc)

B26 aftreden van ouderlingen en diakenen
B26.1 De ouderlingen en diakenen vervullen hun ambtsdienst drie of meer jaren, afhankelijk van de plaatselijke regeling.
B26.2 Als regel is elk jaar een evenredig deel van de ouderlingen en diakenen aftredend. Zij zijn niet direct herkiesbaar, behoudens bijzondere omstandigheden.
B26.3 De kerkenraad verleent tussentijdse ontheffing slechts wegens gegronde redenen.

B27 op non-actief stelling ouderlingen en diakenen
B27 Bij dringende noodzaak kan de kerkenraad bij wijze van tijdelijke ordemaatregel overgaan tot gehele of gedeeltelijke op non-actief stelling van een ouderling of diaken. Dit besluit behoeft de toestemming van de kerkenraad van de naburige kerk.

B28 schorsing en afzetting ouderlingen en diakenen
B28.1 Een ouderling of diaken die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaat, zijn ambt verwaarloost of misbruikt, in strijd handelt met het bindingsformulier dan wel de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt, wordt door de kerkenraad geschorst.
B28.2 Het besluit tot schorsing behoeft de toestemming van de kerkenraad van de naburige kerk.
B28.3 Een schorsing geldt voor ten hoogste een periode van vier maanden.
B28.4 De kerkenraad beslist of na de schorsing afzetting moet volgen. Dit besluit behoeft de goedkeuring van de classis.

B29 kerkenraad en diaconie
B29.1 In elke kerk is een kerkenraad, die bestaat uit de predikant(en) en de ouderlingen.
B29.2 De diakenen vormen samen de diaconie.
B29.3 Ten minste tweemaal per jaar overleggen de kerkenraad en de diaconie over hun pastoraal en diaconaal ambtswerk in de gemeente en over de materiële zaken van de kerk.
B29.4 De kerkenraad rekent met de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenteleden en raadpleegt de gemeente met het oog op de hoofdzaken van zijn beleid.

B30 werkwijze van kerkenraad en diaconie
B30.1 De werkwijze van de kerkenraad en die van de diaconie en de wijze waarop zij samenwerken worden vastgesteld in een plaatselijke regeling.
B30.2 De kerkenraad en diaconie dragen beide zorg voor een goede instructie en regeling van de taken en werkzaamheden die onder hun verantwoordelijkheid in de gemeente worden verricht.
B30.3 De diaconie doet eenmaal per jaar verantwoording van haar beleid en beheer aan de kerkenraad.
Model voor een plaatselijke regeling voor de werkwijze van de kerkenraad en de diaconie (pdf)
Model voor een plaatselijke regeling voor de werkwijze van de kerkenraad en de diaconie (doc)

B31 kerkelijk werkers
B31.1 De kerkenraad kan een of meer kerkelijk werkers benoemen om een deel van het dienstwerk in de gemeente uit te voeren.
B31.2 De kerkelijk werkers zijn gebonden aan de leer van de Bijbel, zoals samengevat in de belijdenisgeschriften. Zij bekrachtigen dit bij de aanvaarding van hun werk door ondertekening van het bindingsformulier.
B31.3 De kerkenraad houdt zich voor wat betreft profiel, taken en positie van de kerkelijk werkers aan de generale regelingen.
Generale regeling voor kerkelijk werkers

B32 voorgaan in de kerkdiensten
B32.1 Een predikant mag het Woord en de sacramenten niet elders bedienen zonder toestemming van de kerkenraad daar ter plaatse.
B32.2 Aan niet-predikanten kan door de classis preekbevoegdheid worden verleend in overeenstemming met de generale regeling.
Generale regeling voor de preekbevoegdheid

B33 kleine gemeenten
B33.1 Indien een gemeente te klein wordt om een eigen kerkenraad te hebben, besluit de classis over de gevolgen daarvan.
B33.2 Indien in een kleine gemeente minder dan drie diakenen zijn, wonen een of meer ouderlingen de diaconievergaderingen bij met adviserende stem.
B33.3 Indien in een kleine gemeente minder dan drie ouderlingen zijn, wonen een of meer diakenen de kerkenraadsvergaderingen bij met adviserende stem.

B34 instituering, splitsing en samenvoeging van kerken
B34.1 Instituering, splitsing of samenvoeging van kerken vindt plaats krachtens besluit van de betrokken kerkenraden, na raadpleging van de gemeenten en met goedkeuring van de classis.
B34.2 De besluitvorming voorziet in een regeling van de gevolgen naar kerkelijk en eventueel statelijk recht.