Menu

Studiedeputaatschap voor quaestio inzake homoseksualiteit

Er komt een studiedeputaatschap dat zich gaat buigen over de vraag of er reden is om de klassieke kerkelijke benadering van homoseksualiteit bij te stellen. De synode nam dit besluit vrijdag 24 november tijdens haar laatste vergaderdag.

Aanleiding voor dit besluit was de vraag die de classis Hardenberg indiende bij de synode. Zij stelden de vraag of er voor de homoseksueel levende broeder en zuster een volwaardige plaats is in de gemeente van Christus met volle rechten en plichten. In hun quaestio constateerde de classis dat bij bestudering van Bijbelse gegevens duidelijk wordt dat de Here homoseksuele intimiteit verbiedt. De moeite van Hardenberg is echter gelegen in het feit dat noch in het Oude, noch in het Nieuwe Testament de homoseksueel georiënteerde mens die God liefheeft lijkt voor te komen,  terwijl de realiteit is dat we homoseksuele broeders en zusters die de Here oprecht liefhebben wel in de kerk tegen komen.

Prof. dr. Ad de Bruijne, hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen.

Pastorale handreiking
De synode had grote moeite om te komen tot een antwoord op de quaestio. Dat had vooral te maken met de vraag welk gezag eerdere synodeuitspraken hebben. In eerste instantie werd voorgesteld om te antwoorden met het aanbieden van een pastorale handreiking. In alle voorzichtigheid werd daarin geprobeerd de kerken en kerkenraden een weg te wijzen hoe pastoraal om te gaan met deze gevoelige materie. In de vergadering werd uiteindelijk duidelijk dat deze handreiking toch niet het beoogde antwoord kon zijn, mede gezien het feit dat Hardenberg niet vroeg om een pastorale handreiking maar om een concrete synodeuitspraak.

Studiedeputaatschap
Prof. dr. Ad de Bruijne, die optrad als adviseur voor de voorbereidingscommissie, stelde in zijn advies vraagtekens bij de voorliggende beantwoording. “Hier wordt toch een andere koers ingezet m.b.t. homoseksualiteit,” was zijn argument. Een andere optie, namelijk het instellen van een studiedeputaatschap wat zich vervolgens moet buigen over het onderwerp, zou volgens De Bruijne niet rekening houden met de urgentie van de vraag. “Ik kom uit bij een combinatie van beide. Een studiedeputaatschap en een uitspraak doen op de thematiek die er nu ligt. De vraag is in wezen simpel: mogen samenlevende homo’s aan het avondmaal? Ondertussen kunnen we kerkenraden oproepen tot voorzichtigheid in de omgang met homo’s in het ontzeggen van het avondmaal in afwachting van de conclusies van het studiedeputaatschap.”

In het kader van het ontzeggen van het avondmaal werd ook nog kort gesproken over de tucht. Een woord dat volgens velen een nare bijklank heeft, maar niet anders bedoelt dan “mensen te bewaren bij de vergeving van zonden,” zoals ds. Kornelis Harmannij het formuleerde. Daarbij legde hij er ook de nadruk op dat het ontzeggen van de toegang tot het avondmaal nooit op zichzelf kan staan. In het uiteindelijke besluit wordt opgenomen dat kerkenraden ‘liefdevol en voorzichtig’ moeten omgaan met samenlevende homoseksuele broeders en zusters en ‘terughoudend’ moeten zijn wat betreft de ontzegging van het avondmaal.

Afronding
Ter afronding van dit onderdeel wordt besloten dat de pastorale handreiking in de Acta zal worden opgenomen als bijdrage van de voorbereidingscommissie aan de discussie. Ook het advies van Ad de Bruijne krijgt op deze manier een plaats in de Acta. Zo zijn de documenten voor wie ze lezen wil beschikbaar. Ze maken echter geen onderdeel uit van de officiële besluiten. Tot slot krijgt het moderamen het mandaat van de synode om een begeleidende brief te schrijven aan de classis Hardenberg waarin verwoord zal worden wat het besluit is en wat de volgende stappen zullen zijn. Een daarvan is natuurlijk het samenstellen en benoemen van het deputaatschap. Ook dat wordt toevertrouwd aan het moderamen.

Besluittekst

Daarom besluit de GS:

  1. De quaestio Hardenberg niet op dit moment zelf te beantwoorden.
  2. Een studiedeputaatschap te benoemen met de opdracht om na te gaan of er reden is om de klassieke kerkelijke benadering van homoseksualiteit bij te stellen en of daarbij hernieuwde kerkelijke eenstemmigheid kan groeien. Daarbij moeten eerdere studies van verwante kerken in binnen- en buitenland nadrukkelijk benut worden.
  3. De kerken op te roepen om in de pastorale omgang met homo’s te rekenen met het onder druk staan van de klassieke kerkelijke benadering van homoseksualiteit, de vele nog onbeantwoorde vragen, en het afnemen van de overtuigingskracht. In dat licht past het om in biddende afwachting van hernieuwde gedeelde overtuiging liefdevol en voorzichtig om te gaan met samenlevende homoseksuele broeders en zusters en terughoudend te zijn wat betreft ontzegging van het avondmaal.